|
WILD GEBAREN ROLAND DEKETELAERE 
Er bestaat zoiets als de drang tot spreken. Het niet kunnen zwijgen. Zich hoorbaar maken. Roland Deketelaere is sterk onderhevig aan deze ‘innerlijke noodzaak’. Hij kan de leegte van de klank niet aanvaarden, elke geluidsarme tel van de dag moet weggespoeld worden met een waterval aan woorden en associaties. Het is niet iedereen gegeven de essentie uit dit stortbad te distilleren. Toch is een gedempte galm niet alleen bij nacht bij Roland terug te vinden. Roland laat zich ook horen wanneer hij schrijft. En hij zwijgt wanneer hij schrijft. Zijn tekens zijn onleesbaar maar blijken - net zozeer als zijn gesproken taal - een noodzakelijk element te zijn in zijn leven. De mens wordt omschreven als het wezen dat spreekt, waarbij het ‘spreken’ als oorspronkelijk en onherleidbaar gezien wordt. De theorie is dat onze voorouders van gebarende wezens evolueerden tot de sprekende mens. Dat maakte het coördineren van jachtpartijen en het overdragen van de kennis om een werktuig te maken makkelijker. Baby’s gebruiken nog tot hun tweede levensjaar gebaren om duidelijk te maken wat ze willen, en zelfs volwassenen communiceren met hun lichaam. Spiegelneuronen zouden het ons mogelijk maken dat we de handgebaren van een ander begrijpen. Na-apen krijgt dus een andere betekenis. De taal van Roland is niet anders dan onstuitbare poging om tot mens te worden. Het zijn tekens, signalen. |